Kies je sommen
Wat wil je oefenen?
Log in via Ouder-Wijs om resultaten naar je ouders te sturen.
Rekenen leren op je eigen niveau
Met Reken-Wijs oefenen kinderen gratis met optellen, aftrekken, vermenigvuldigen, delen en breuken. Niet je groep, maar wat je al kunt bepaalt waar je begint. Kies per onderdeel een level dat past: rekenen tot 10 vraagt iets anders dan tafels door elkaar of gelijkwaardige breuken.
Stap voor stap verder
Begin met sommen die grotendeels lukken en probeer daarna een volgend level. Bij ieder onderdeel staan uitleg en voorbeelden. Korte oefenrondes en directe feedback helpen om te ontdekken wat je al begrijpt en wat nog oefening vraagt.
Ruimte om na te denken
Bij keersommen, deelsommen en breuken kun je tussenstappen tekenen of typen in het kladblok. Oefenen kan op telefoon, tablet en computer. Met een ouderaccount en gekozen kind worden resultaten bewaard in Ouder-Wijs; zonder account kun je ook gewoon oefenen.
Plus en min
Hoe wil je oefenen?
Kies per level plus, min of allebei. Iedere ronde heeft 10 korte sommen.
Optellen en aftrekken oefenen
Bij optellen voeg je iets toe; bij aftrekken haal je iets weg. Kies alleen plussommen, alleen minsommen of een mix. Elk level heeft rondes van 10 sommen: tot 10, tot 20, tot 50 of tot 100. Je hoeft niet voor beide bewerkingen hetzelfde level te kiezen.
Over het tiental rekenen
8 + 5 = 13. Maak eerst 10: bij 8 doe je 2 erbij. Van de 5 blijven er dan 3 over. Dus 8 + 2 + 3 = 13.
14 - 6 = 8. Haal eerst 4 weg om bij 10 te komen, en daarna nog 2. Dus 14 - 4 - 2 = 8. Bij grotere getallen kun je op dezelfde manier in stappen rekenen: 38 + 7 = 38 + 2 + 5 = 45.
Een passend level kiezen
Begin tot 10 als het tellen en splitsen nog aandacht vraagt. Gaat dat goed, oefen dan over het tiental tot 20 en daarna met grotere getallen. De antwoorden zijn niet negatief. Vanaf level 2 zijn de twee getallen in de som groter dan nul; bij aftrekken kan het antwoord wel nul zijn.
Keersommen
Welke level speel jij?
Kies een level en oefen de tafels stap voor stap.
Keersommen en tafels leren
Vermenigvuldigen is gelijke groepjes bij elkaar optellen. Bij 4 keer 3 denk je aan vier groepjes van drie: 3 + 3 + 3 + 3 = 12. Dat schrijf je kort als 4 × 3 = 12.
Van een rijtje naar door elkaar
In level 1 staan de tien sommen van je gekozen tafel onder elkaar. In level 2 oefen je dezelfde tafel in willekeurige volgorde. Level 3 mengt twintig sommen uit de tafels van 1 tot en met 10.
Een bekende som helpt
6 × 7 = 42. Weet je al dat 5 × 7 = 35? Tel er nog een groepje van 7 bij: 35 + 7 = 42. Ook omdraaien helpt: 3 × 8 en 8 × 3 zijn allebei 24.
Teken de groepjes of typ een tussenstap in het kladblok. Oefen eerst een tafel die je wilt leren; probeer pas alle tafels door elkaar als de losse tafels vertrouwd voelen.
Deelsommen
Welk level kies jij?
Alle sommen komen precies uit. Begin rustig en bouw door naar delen met alle tafels.
Deelsommen leren met de tafels
Delen betekent eerlijk verdelen of tellen hoeveel gelijke groepjes ergens in passen. Verdeel je 24 fiches over 6 kinderen, dan krijgt ieder kind 4 fiches: 24 ÷ 6 = 4.
Gebruik de omgekeerde keersom
Bij 42 ÷ 7 kun je denken: hoeveel keer 7 is 42? Omdat 6 × 7 = 42, is 42 ÷ 7 = 6. Controleer je antwoord door weer te vermenigvuldigen.
Vier levels, zonder rest
Level 1 begint met delen door 1, 2, 5 en 10. Level 2 gebruikt de deeltafels van 1 tot en met 5; level 3 die van 6 tot en met 10. Deze rondes hebben tien sommen. In level 4 krijg je twintig sommen uit alle deeltafels door elkaar.
Alle deelsommen komen precies uit: je oefent hier nog niet met een rest of kommagetallen. Het kladblok geeft ruimte om groepjes te tekenen of de bijbehorende keersom te typen.
Breuken
Welk level kies jij?
Van een stukje van het geheel naar rekenen met breuken.
Breuken begrijpen en oefenen
Een breuk beschrijft een deel van een geheel. In 3/4 vertelt de noemer 4 dat het geheel in vier gelijke stukken is verdeeld. De teller 3 geeft aan dat je drie van die stukken bedoelt. Elk level bevat tien vragen.
Herkennen en een hoeveelheid verdelen
In level 1 lees je het gekleurde deel af: drie van vier gelijke stukken is 3/4. In level 2 reken je met een hoeveelheid: 1/4 van 20 = 5, want 20 ÷ 4 = 5. Voor 3/4 van 20 neem je drie van die delen: 3 × 5 = 15.
Gelijkwaardige breuken
In level 3 schrijf je dezelfde waarde met een andere noemer. 1/2 = 2/4: als je teller en noemer allebei met 2 vermenigvuldigt, blijft het deel even groot.
Optellen en aftrekken
Level 4 gebruikt gelijke noemers. Tel de tellers op of trek ze af; de noemer blijft gelijk. Bijvoorbeeld 1/5 + 2/5 = 3/5 en 3/4 - 1/4 = 2/4. Je kunt je tussenstappen tekenen of typen in het kladblok.
Bijna klaar
Welke tafel wil je oefenen?
Kies een tafel en start meteen.
Level 1
Tafel van
Wat is het antwoord?
Ronde klaar